Nieuwe faculteitsbesturen beginnen in september

| Rik Visschedijk

De nieuwe UT-bestuursorganisatie krijgt op korte termijn vorm: per september moeten de nieuwe faculteitsbesturen draaien. ‘Een versnelling op verzoek van interne partijen’, zegt rector Thom Palstra. ‘We hebben lang genoeg gepraat, het is tijd om vanuit de realiteit te werken.’

Photo by: Rikkert Harink

De beleidsvoornemens in UT2020, bekend als de ‘heroriëntatie onderwijs en onderzoek’, zijn in het najaar 2015 ingezet. In februari dit jaar werd een tweedaagse gehouden met het senior management. ‘Daar werd de behoefte om vaart te maken uitgesproken’, aldus Palstra. ‘De nieuwe organisatie gaat per januari 2018 in, tegelijk met het nieuwe bestuurs- en beheersregelement (BBR). Daarom willen we snel beginnen met de nieuwe faculteitsbesturen.’

Blik naar buiten

Een versnelling is volgens Palstra nodig omdat de UT zich meer naar buiten moet richten. ‘Dat kan alleen als we intern rust creëren’, zegt hij. ‘Een van onze zwakke punten is financiering binnenhalen op de tweede en derde geldstoom. Sterker nog: de tweede geldstroom vanuit het NWO en de KNAW vertoont een dalende lijn. In vergelijking met de concurrentie doen we het niet goed.’

De UT anticipeert hierop door een meerhoofdig faculteitsbestuur in het leven te roepen, bestaande uit een decaan en de portefeuillehouders onderwijs, onderzoek en bedrijfsvoering. Een studentadviseur kan de vergaderingen bijwonen. Palstra: ‘Daarvoor werven we nu mensen zodat het bestuur na de zomervakantie aan de slag kan en een half jaar kan warmlopen. De bestuurlijke herinrichting is er niet alleen om het onderzoek opnieuw te positioneren, maar ook voor een goede aansturing van het onderwijs.’

Slagvaardig

Het idee achter de faculteiten-nieuwe-stijl: de UT slagvaardiger maken richting buitenwereld. Palstra: ‘De basisbekostiging voor onderzoek gaat vanaf 2018 rechtstreeks naar de faculteiten. Zij krijgen, tegenover een doelstelling, een onderzoeksbudget voor vier jaar. Dat levert rust op. Onderzoekers kunnen zich meer richten op hun kerntaak: gelden verwerven en excellent onderzoek doen. Binnen de faculteiten clusteren we leerstoelen in groepen van zo’n twintig tot veertig fte; ook zij krijgen hun eigen doelstelling. De bedoeling is dat die clusters zich in eerste instantie op de inhoud richten en minder – zoals in het verleden – aan een financiële doelstelling proberen te voldoen.’

Talentvolle onderzoekers hebben volgens de rector baat bij die clustering. ‘Door de schaalvergroting van een leerstoel van een man of vier naar een cluster komt er meer ruimte voor jonge onderzoekers om zich te ontwikkelen. Zij kunnen beter afspraken maken over hun doelen en zich meer richten op het schrijven van voorstellen en inzetten op de wetenschappelijke prijzen. In de kleine leerstoelen zie je dat de jonge medewerkers vaak allerhande administratieve klussen toegeschoven krijgen.’

Wetenschappelijke powerhouses

Met deze faculteiten-nieuwe-stijl verandert de rol van de instituten flink. Zij verliezen hun beheersfunctie: de onderzoeksgelden gaan direct de faculteiten in. ‘Maar, we willen de instituten nadrukkelijk niet afbreken’, zegt Palstra. ‘Zij moeten onze wetenschappelijke powerhouses naar buiten worden. Nog meer dan nu, krijgen zij de taak om aan te sluiten bij de grote nationale en Europese onderzoeksprogramma’s.’

Met de externe focus van de instituten-nieuwe-stijl kan de UT volgens de rector een ander probleem aanpakken: het versnipperde beeld dat de buitenwereld van het onderzoek heeft. ‘Externen zien niet duidelijk wat onze prioriteiten zijn. Vooral bij de beleidsmakers ontbreekt dat beeld. Ik kan zo 25 onderwerpen opnoemen waar we excellent in zijn, maar het is de kunst om dat te clusteren in vijf tot tien aansprekende onderzoeksvelden. Die eenduidigheid moeten we ook naar het bedrijfsleven uitstralen.’

Daar ligt de belangrijkste uitdaging voor de instituten. ‘Ik wil dat we dichter op de calls voor onderzoeksprogramma’s zitten’, aldus Palstra. ‘De succesratio van calls is soms maar zo’n één tot drie procent. De oorzaak: we schrijven voorstellen pas als de oproep is uitgebracht. Mijn inzet is om op het netvlies te staan van de beleidsmakers wanneer die calls vorm krijgen. Als we in dat stadium onze inbreng geven, dan maak je ook meer kans om uiteindelijk beter te passen bij de voorwaarden van de onderzoeksprogramma’s. De instituten krijgen door de nieuwe bestuursvorm de handen mee vrij om daarop in te zetten.’