'Een vaderfiguur van de campus'

| Rik Visschedijk

Een beer van een kerel met een bulderende stem. Maar vooral een vaderfiguur die belangrijk was voor het gemeenschapsgevoel op de campus. Vorige week overleed Carel van Lookeren Campagne. Van 1980 tot 1992 was hij voorzitter van het college van bestuur.

De in Amsterdam woonachtige oud-voorzitter onderhield ook na zijn aanstelling warme banden met de UT. Als het kon, was hij bij officiële gelegenheden. ‘Twee jaar geleden openden we het openluchttheater’, zegt Pim Fij (directeur Facilitair Bedrijf). ‘Natuurlijk was hij daar. En hij was meteen de eerste donateur.’

Human touch

Universiteitsraadvoorzitter Herbert Wormeester heeft prettige herinneringen aan Carel van Lookeren Campagne. ‘Als jonge aio werd ik fractievoorzitter in de universiteitsraad’, zegt hij. ‘Ik maakte me een beetje zorgen of dat wel te combineren zou zijn en ben op hem afgestapt. Ik moest me vooral geen zorgen maken, zo zei hij. Al snel was het geregeld: als een van de eerste aio’s kreeg ik een langere periode om te promoveren.’

Wormeester herinnert zich een warme man, waar ook een kwajongen in schuil ging. ‘Zo was de bestuursvleugel in de jaren ’80 eens bezet door studenten. Je kon zien dat hij, met zijn sociale hart, eigenlijk best wilde meedoen. Als hij de demonstranten vroeg om de boel een beetje netjes achter te laten, dan gebeurde dat ook. Dat was de vaderrol die aan hem kleefde.’

Een handgeschreven brief maakte ook veel indruk op Wormeester. ‘Twee jaar geleden gaf ik aan UT Nieuws een interview over het overlijden van mijn dochter vier jaar eerder. Van Carel kreeg ik prompt een handgeschreven brief; die aandacht zegt veel over hem.’

Bulderende lach

Pim Fij denkt ook met warmte aan de oud-voorzitter. ‘In 2013 keerde ik na zes jaar terug op de UT’, vertelt hij. ‘Bij de opening van het academisch jaar sprak ik hem. Hij vroeg meteen naar mijn zoon en dochter – en wist dat ze beiden rood haar hebben. Dat tekent hem.’

Die wederzijdse band was er trouwens niet meteen. ‘Toen ik hier begon als 25-jarige, was ik behoorlijk geïntimeerd door Carel. Een beer van een vent, met een dito stem. Niet iemand die je zomaar aanspreekt. Later werkte ik in de bestuursvleugel. Toen een plek die soms aan een mausoleum deed denken: stil en sereen, met iedereen hard en serieus aan het werk. Als Carel binnenkwam, dan bulderde zijn lach door de ruimte. Dat gaf ontspanning. Hij was oprecht geïnteresseerd in anderen en hij heeft een grote bijdrage geleverd aan het gemeenschapsgevoel op de campus.’