In het rapport van de commissie-Hermans staan de vijf masteropleidingen opgesomd, gerelateerd aan de gebieden die de drie TU's beschouwen als de cutting edge van het wetenschappelijk technologisch onderzoek in Nederland. Alle drie gaan ze masters op deze gebieden aanbieden, maar ieder met hun eigen specialisatie. Het zijn Embedded systems (binnen de UT het domein van de faculteit EWI), Nanoscience and -technology (TNW), Systems and Control (EWI), Sustainable energy technology (TNW) en Construction management and engineering (de Twentse specialisatie van bouwkunde, te verzorgen door CTW). Het kwintet landelijke masters laat zien dat Eindhoven nu ook nanotechnologie in de masterfase krijgt en Twente dus bouwkunde. Grootenboer: 'Dit ontbrak nog aan ons pakket, we zijn er heel heel blij mee. Het betekent dat we in al onze domeinen masters kunnen ontwikkelen, want we hadden al een licentie voor werktuigbouwkunde, industrieel ontwerpen en civiele techniek.'
'Daarnaast', aldus Grootenboer, 'biedt het nieuwe bamastelsel onze bachelorstudenten een aanzienlijke uitbreiding van de doorstroom-mogelijkheden naar masteropleidingen, zoals maritieme techniek, architectuur, luchtvaart- en ruimtevaarttechniek, automobieltechnologie, naast de vele masteropleidingen binnen onze eigen instelling. Dat zal de aantrekkelijkheid van onze bacheloropleidingen zeker vergroten.' Het zal volgens hem wel 'een zekere herprogrammering' van het bacheloronderwijs vergen, omdat dit nu zal moeten voorbereiden op een breed scala aan masteropleidingen in alle richtingen van de construerende technische wetenschappen.
Voor Grootenboer is dat geen punt: verbreding en flexibiliseringvan het bachelorprogramma past geheel in het strategieplan van zijn faculteit.
'Door de clustering van de tien UT-faculteiten tot vijf % de faculteit CTW liep daarin voorop % en de invoering van het major-minor systeem is de UT optimaal in de gelegenheid om de kansen in dit sectorplan te verzilveren.'
Lichte koepel
Elektrotechniek en werktuigbouwkunde zijn de eerste clusters die vanaf 1 januari 2004 worden ondergebracht in het virtuele Institute for Science and Technology van de drie TU's. Net als collega Zym reageert Grootenboer daar positief op. Hij spreekt van een 'lichte koepel' boven de samenwerking op onderzoeksgebied die nu al zijn weg vindt via de gezamenlijke onderzoekscholen en -instituten. 'Zoveel anders wordt het niet, verwacht ik. We werken nu met elkaar in de sfeer van collegiale afstemming, het wordt iets minder vrijblijvend. Wat ons betreft is dat prima, zolang er geen organisatorische bestuurslagen bijkomen.' Als dat wel het geval is daalt zijn enthousiasme aanzienlijk, verzekert hij.
Dat de clustergewijze aanpak (zoals elektrotechniek en werktuigbouwkunde) teruggrijpt naar de aloude disciplines ('de nota is vanuit die optiek geschreven') neemt Grootenboer voor lief omdat hij weet dat Delft en Eindhoven hun faculteiten nog niet hebben geclusterd zoals de UT dat deed. De vraag die zich hierbij overigens aandient is of de andere twee zich zullen voegen naar het Twentse model. Hoe dan ook, een prettige bijkomstigheid voor hem is dat hij in het overleg met Delft en Eindhoven vier domeinen kan vertegenwoordigen waar zijn collega's steeds een andere vertegenwoordiger moeten sturen.
Groei
Grootenboer vertelt dat het streven van zijn faculteit erop is gericht te groeien naar een bachelorinstroom van 450 voor alle vier de opleidingen. De drie bestaande studierichtingen zijn nu bij elkaar opgeteld goed voor 330 nieuwe studenten. Civiele techniek en werktuigbouwkunde zaten al vóór de facultaire clusteringsgolf bij elkaar en industrieel ontwerpen is er een uitvloeisel van. De nieuwkomer is de opleiding bouwmanagement. Daarmee is meteen de kritische succesfactor genoemd: het samenspel tussen deze opleiding en werktuigbouwkunde. In Delft en ook Eindhoven leidde die samenwerking -door wantrouwen en tegenstellingen- niet tot de gewenste synergie en was aldus tot mislukken gedoemd, weet Grootenboer. Maar de dekaan is heel optimistisch en spreekt van een fascinerende uitdaging. 'Het begint al te komen', wijzend op de eerste contacten over en weer. 'Ik ken de neiging van vakgroepen tot sectarisme. We staan dat niet toe. Iedere groep is aanspreekbaar op zijn bijdrage aan het gehele onderwijs van de faculteit. Als dit slaagt, en daar ga ik vanuit, dan hebben we een uniek Twentsprofiel dat ons een voorsprong zal bezorgen'.
Wat is het nut van een voorsprong als al het TU-onderwijs en -onderzoek onderling op elkaar is afgestemd?
Grootenboer: 'Concurrentie zal er blijven, daar ben je wetenschapper voor. Een voorsprong berust op je kwaliteit en komt tot uiting in het onderzoek en je masters. Hoe beter je bent, hoe meer externe gelden je zult verwerven bij Economische Zaken, STW, de EU, Ices-Kis, noem ze maar op'.
De dekaan verwacht niet dat zijn faculteit als gevolg van de intenties in het sectorplan stevig zal moeten inbinden. 'Gedwongen ontslagen? Ik zal nooit iets uitsluiten, maar voorzover ik het nu kan overzien is dit niet aan de orde. Misschien dat die noodzaak tijdens het implementatietraject nog ontstaat, maar dat zien we dan wel. In elk geval zijn we hier het meest afgeslankt van alle drie.'
Aanwinst
Als het onderzoek en de masteropleidingen van CTW eenmaal zijn gewenste bedding heeft gekregen zou de vestiging van een landelijk technologisch topinstituut op de campus een enorme aanwinst zijn voor de UT, verwacht Grootenboer. Delft en Eindhoven gingen Twente daarin reeds voor. Achter de schermen wordt al druk gelobbyd, bevestigt hij.
Het gerucht gaat dat het TNO-instituut Milieu en Processen dat nu nog in Apeldoorn zit, een gegadigde is.
'Ik kan daar nog niks feitelijks van zeggen. In zijn algemeenheid kan je wel stellen dat zo'n instituut, als dat eenmaal hier zit, een kweekvijver wordt van promovendi en zijn impact heeft op het UT-onderwijs. Van die worteling binnen een universiteit is bij veel landelijke instituten geen sprake, maar het zal wel die kant opgaan denk ik. Dus liggen er kansen over en weer'.
Grootenboer is blij dat de techniek in het algemeen en de UT als technische universiteit in het bijzonder, weer beginnen te glimmen. 'Alle neuzen wijzen eindelijk dezelfde kant op'. Stelt, niet zonder gevoel voor eigenwaarde: 'Wij -de drie TU's - zijn niet het probleem, maar de oplossing!'
Het commentaar van EWI-dekaan Zym op de tweede versie van het Sectorplan stond vorige week in deze krant
Bert Groenman
Henk Grootenboer
![]()