Dat staat in het Sectorplan Natuurwetenschappen van de betrokken universiteiten (Leiden, Utrecht, Groningen, Amsterdam, Nijmegen, Delft, Eindhoven, Twente, Wageningen, de Open Universiteit en de Vrije Universiteit). Die willen de opleidingen beter op elkaar afstemmen, maar gaan niet zover als de AWT (Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid) en het ministerie willen. Staatssecretaris Nijs stuurt aan op sterke profilering van universiteiten. Ondertussen wordt overigens nog gewerkt aan de eindversie van een apart sectorplan Wetenschap en Technologie voor de drie technische universiteiten. Deel twee daarvan verscheen vorige week, het eindrapport begin volgend jaar.
Evenals bij Letteren willen de universiteiten de haperende toeloop van studenten voor bètastudies stimuleren. Het plan is een uitwerking van het Bachelor-Masterconvenant 2002. Daarin werd afgesproken dat de exacte en technische bachelors op alle masters moesten aansluiten. Daartoe moesten de bachelors dus breder worden.
Het plan noemt daarvoor twee mogelijke modellen. In het waaiermodel kiezen studenten voor een bepaalde major, met voldoende keuzeruimte via de minor om uit te waaieren naar andere richtingen. Het zandlopermodel gaat uit van de omgekeerde weg. De student begint heel breed, om zich gaandeweg te specialiseren. In beide modellen moet verbreding ook worden bereikt via vakken met een sterk algemeen academisch karakter, zoals wetenschapsfilosofie. De schrijvers denken dat beide modellen zullen leiden tot vermindering van de uitval alsook vergroting van de instroom.
Bij het masteraanbod begint de landelijke samenwerking met de disciplines natuurkunde, scheikunde en wiskunde. Voor elk specialisatietraject (afstudeerrichting) wordt het onderwijsaanbod landelijk afgestemd. Deze trajecten worden alleen aangeboden op lokaties waar ze aansluiten bij een zogeheten onderzoekszwaartepunt. Oftewel, niet meer alles wordt overal aangeboden.
Het model kan, 'waar de doelmatigheid in het geding komt', in principe ook worden toegepast op andere opleidingen in de natuurwetenschappen. Voor eind dit jaar zullen werkgroepen het onderwijsaanbod uitwerken op instellingsniveau, per regionaal samenwerkingsverband of een gezamenlijk landelijk aanbod. Het sectorplan noemt al een aantal 'perspectiefvolle samenwerkingsverbanden': UvA-VU, Leiden-Delft, Nijmegen-Eindhoven-Wageningen en Groningen-Twente.
In januari moet het landelijke masteraanbod worden vastgesteld. Overigens stelt het plan dat lokaal masteronderwijs noodzakelijk blijft. De schrijvers wijzen een AWT-advies om onderwijs en onderzoek op een beperkt aantal lokaties te concentreren nadrukkelijk af.
Volgend jaar starten twee tweejarige proefprojecten (pilots) voor de ontwikkeling van gezamenlijke masteropleidingen (joint master degrees) met buitenlandse universiteiten. Op een aantal punten zal nauwer worden samengewerkt met de Nuffic.
Last but not least: het sectorplan komt met een voorstel voor een nieuwtraject voor het halen van de tweedegraads onderwijsbevoegdheid. Na tweeÙneenhalf jaar studie wis-, natuur- of scheikunde volgt een educatief onderdeel van een half jaar. Dat bachelordiploma biedt toegang tot een duaal werken-leren traject van een half jaar.