CHEPS.
CHEPS deed het onderzoek in opdracht van staatssecretaris Annette Nijs van onderwijs, die het rapport kort voor Kerst naar de Tweede Kamer stuurde. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat de universiteiten de afgelopen zeven jaar gemiddeld per student evenveel zijn blijven uitgeven aan onderwijs. Dit terwijl ze daarvoor minder geld van het rijk kregen.
'Om de onderwijsuitgaven per student op peil te houden, hevelen de instellingen dus geld over van onderzoek naar onderwijs. Of ze sluizen geld door van goedkope naar dure studies,' stelt CHEPS-onderzoeker Ben Jongbloed vast. 'Dat mag allemaal wel, maar het is de vraag of het verstandig is om dat op vrij grote schaal te doen en of het vol te houden is.'
Dat er met name tussen de alfa- en gammastudies enerzijds en de bèta- en techniekstudies anderzijds een grote kloof gaapt tussen de theoretische aannames in het ministeriële verdeelmodel en de praktijk aan de instellingen, blijkt wel uit de cijfers in het CHEPSonderzoek. Gemiddeld geven universiteiten 5600 euro per jaar uit om studenten in de alfa- en gammadisciplines op te leiden. Aan rijksbijdrage en collegegeld krijgt de universiteit ongeveer hetzelfde bedrag per student binnen. Bij bèta- en techniekstudenten is er echter sprake van een grote discrepantie: de instelling steekt per student zo'n 13.000 euro per jaar in onderwijs, maar ontvangt via rijksbijdrage en collegegeld maar een kleine 7000 euro per jaar aan inkomsten.
Dus de overheidsfinanciering van techniekstudies moet omhoog? Jongbloed: 'Daar moet de minister een uitspraak over doen. Wel is duidelijk dat de rijksbijdrage gebaseerd is op prijsverhoudingen die vijftien, twintig jaar geleden zijn vastgelegd en die niet overeenkomen met de werkelijkheid van nu. Het kan niet de bedoeling zijn dat dure studies als bèta en techniek alleen maar kunnen blijven bestaan bij de gratie van creatief middelenbeheer en kruissubsidies. Het wordt tijd voor een nieuw bekostigingsmodel.'
Het ministerie en de Tweede Kamer zouden de twee belangrijksteconclusies uit het CHEPS-rapport zeker moeten betrekken in de lopende discussie over de onderwijsbekostiging, vindt Jongbloed. Des te verbazender vindt hij het dat staatssecretaris Nijs het rapport naar de Kamer stuurde met een begeleidende brief, waarin zij vaststelt dat er 'geen beleidsmatige conclusies' uit het rapport getrokken kunnen worden, mede vanwege het feit dat de onderzoeksmethode die CHEPS gebruikte 'omstreden' zou zijn.
Jongbloed: 'Die methode is helemaal niet omstreden. De DEA-methode (Data Envelopment Analyses, red.) staat in de operations research en managementliteratuur in hoog aanzien. Het is een benchmarking techniek, waarmee je op een slimme en objectieve manier onuitgesplitste kosten toch kunt toerekenen aan onderwijs of onderzoek. Volgens ons is DEA de beste techniek om uit de jaarrekeningen van de instellingen de splitsing tussen onderwijs- en onderzoeksuitgaven te maken.'
Waarom de reactie van Nijs op het rapport - volgens de CHEPS-onderzoeker - zo 'defensief en beleidsarm' is, komt volgens Jongbloed doordat de staatssecretaris zich nog niet politiek wil committeren, zolang er nog meer onderzoeken en adviezen in de maak zijn over de herziening van de onderwijsbekostiging. .
Daarnaast woedt er een discussie over de 'dynamisering van de onderzoeksbekostiging', het omzetten van (een deel van de) vaste rijksbijdrage voor onderzoek in prestatieafhankelijke vergoedingen. Jongbloed: 'Daar wordt heel veel energie in gestoken, omdat Nijs vindt dat er iets moet gebeuren met het oog op de European Research Area die er moet komen. Het onderzoeksgeld moet meer selectief en meer geconcentreerd worden besteed, vindt zij. Maar ook daar kun je fundamentelere vraagtekens bij zetten. In Nederland gaat eenderde deel van het geld naar onderwijs en tweederde naar onderzoek; in Engeland is dat precies omgekeerd. Misschien moet er in Nederland ook wel meer geld naar onderwijs in plaats van onderzoek. Maar je kunt je afvragen of dat allemaal publiek geld moet zijn en hoe dat dan over de instellingen verdeeld moet worden.'