Kamerleden verwierpen bursalenstelsel achteloos

| Redactie

Het was een streep door de rekening van de universiteiten: een vrijwel unanieme Tweede Kamer blokkeerde de komst van de beurspromovendus. Navraag leert dat het balletje heel anders had kunnen rollen. Al jaren doen universiteiten de ene na de andere poging om de ‘bursalenstelsel’ in te voeren. Als promovendi in plaats van een salaris een studiebeurs krijgen, hoeft hun universiteit geen

Het was een streep door de rekening van de universiteiten: een vrijwel unanieme Tweede Kamer blokkeerde de komst van de beurspromovendus. Navraag leert dat het balletje heel anders had kunnen rollen.

Al jaren doen universiteiten de ene na de andere poging om de ‘bursalenstelsel’ in te voeren. Als promovendi in plaats van een salaris een studiebeurs krijgen, hoeft hun universiteit geen werkgeversbelasting en pensioenkosten te vergoeden. Dat scheelt enorm in de kosten. Maar telkens als universiteiten het probeerden, werden ze door de rechter teruggefloten: promovendi verrichten namelijk arbeid waar de universiteit van profiteert.

Toch leek het slechts een kwestie van tijd voordat de promovendus-met-studiebeurs er zou komen: ooit zou er toch wel een minister opstaan die de bursaal een wettelijke grondslag gaf? Universiteiten bleven intussen de grenzen van de wet opzoeken: aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveren momenteel zeventig Nederlandse en 350 buitenlandse bursalen.

Minister Plasterk leek ondanks zijn bezwaren tegen het bursalenstelsel geen sta-in-de-weg: hij noemde het personeelsbeleid een zaak van de instellingen zelf. Toen de Socialistische Partij een motie indiende die de regering opriep “te realiseren dat promovendi door hun werkgever als werknemer worden behandeld”, hield hij zich op de vlakte. Hij prees haar niet aan, maar ontraadde haar ook niet. De Kamer moest het zelf weten.

Welnu, met uitzondering van de PVV steunden alle partijen de SP-motie. Zelfs de liberale VVD wilde de instellingen op dit punt geen autonomie gunnen. Achteraf blijkt dat het allemaal heel anders had kunnen lopen.

“Het onderwerp stond eigenlijk niet hoog op de politieke agenda”, zegt Ed Anker van regeringspartij ChristenUnie. “En als de minister zijn voet niet dwars zet, waarom zouden we dan tegenstemmen? Het is een dynamiek die je in de Tweede Kamer wel vaker ziet.” Anker had “wel eens gesproken met het Promovendi Netwerk Nederland” en kon zich iets voorstellen bij de bezwaren tegen het bursalenstelsel. Hij kan zich niet herinneren dat universiteitenvereniging VSNU hem hierover heeft geïnformeerd.

Dat had de VSNU overigens wel gedaan. Eind oktober stuurde de vereniging nog een notitie aan minister Plasterk met de veelzeggende titel Passend Promoveren. Kijk naar het buitenland, zei de vereniging. Daar heten promovendi meestal PhD-studenten. Bijna nergens worden ze beschouwd als werknemers. Eigenlijk moet je de promotie zien als een logische stap na de bachelor- en masteropleiding: de derde cyclus. Hoe dan ook zouden universiteiten zelf de vrijheid moeten hebben om hun beleid te bepalen. Flexibiliteit, maatwerk. Het maakte kennelijk weinig indruk op de parlementariërs.

Ook CDA’er Ciska Joldersma steunde de motie van de SP. Maar wat die precies inhoudt, weet ze niet. Daarvoor verwijst ze naar de SP. “Die heeft hem ingediend, dus die gaat over de uitleg ervan.” Ook zij vindt het onderwerp eigenlijk niet zo belangrijk. De toekomst van de graduate schools trekt veel sterker haar aandacht: minister Plasterk wil een promotieschool op Amerikaanse leest geschoeid, terwijl het CDA nog niet helemaal van het nut overtuigd is.

De VVD had een heel eigen motief om de motie te steunen. “De universiteiten moeten gewoon fatsoenlijk met hun promovendi omgaan”, zegt VVD’er Halbe Zijlstra. “Ze gebruiken de promovendi als goedkope onderzoekers. Ze zijn totaal niet bezig met de vraag: wat gebeurt er na de promotie met de promovendus? Het interesseert hun niet dat de doctorstitel op de arbeidsmarkt geen enkele meerwaarde heeft.” Volgens hem zou de motie nooit zijn aangenomen, als de universiteiten hadden laten merken dat de problemen met het doctoraat tot hen doordrongen. “We moesten een signaal afgeven.”

Daar begrijpt universiteitenvereniging VSNU weinig van. “Misschien hebben wij het hem niet goed duidelijk gemaakt, maar het carrièreperspectief van promovendi – zowel binnen als buiten de universiteit – is één van onze speerpunten”, zegt een woordvoerder. “We zijn er heel nadrukkelijk mee bezig.”

De kamerleden bleken ook niet of nauwelijks op de hoogte van de financiële consequenties. Een beurspromovendus kost pakweg 100 duizend euro en een werknemerpromovendus 150 duizend. De pensioenpremies, werkgeverslasten en het wachtgeld maken het verschil. In deze tijden van crisis zouden universiteiten dus anderhalf keer zoveel promotieonderzoek kunnen leveren voor hetzelfde geld. Zijlstra: “Dat was een verstandig argument geweest.”

Weerstand tegen het bursalenstelsel was er altijd wel. Beurspromovendi van de UvA bezetten acht jaar geleden zelfs het Maagdenhuis om te strijden voor hun rechten als werknemer. Ook willen sommige universiteiten, met name de Radboud Universiteit Nijmegen, niets van de bursaal weten. In de Tweede Kamer stelde de SP de kwestie keer op keer aan de orde, toegejuicht door het Promovendi Netwerk Nederland.

Maar zo droevig als nu zag het er voor de het bursalenstelsel niet eerder uit. De VSNU is teleurgesteld. De laatste strohalm is dat minister Plasterk de motie ruim interpreteert, want er blijven een paar vragen onbeantwoord. “Hoe gaan we bijvoorbeeld met buitenlandse studenten om?”, vraagt een woordvoerder zich af. “Mogen die ook geen beurs meer krijgen?”

HOP, Bas Belleman