De principes van Taj Chi toepassen in het onderwijs

| Stan Waning

Wat maakt een docent goed? Waar haalt iemand de passie vandaan de soms stoffige stof even boeiend als begrijpelijk te brengen? In de rubriek ‘Meet the teacher’ stellen we je voor aan de UT’ers met hart voor onderwijs. Deze aflevering: Erik Faber.

Photo by: RIKKERT HARINK

Faber begon zo’n tien jaar geleden als docent binnen Creative Technology. Twee keer – in 2014 en 2016 – beloonde CreaTe hem met een opleidingsprijs. Vooral die laatste prijs schrijft Faber toe aan de lichting studenten die hij toen onder zijn hoede had. De klik die hij toen voelde met zijn studenten was volgens Faber essentieel in het winnen van de prijs, want geen lichting is hetzelfde. Soms heb je als docent te maken met een generatie met weinig cohesie, maar in 2016 trok iedereen samen op. Volgens Faber kan een docent daar een belangrijke rol in spelen, door een klimaat te scheppen waarin gemeenschapszin voelbaar is en voedend werkt.

Schraalheid

Faber kan niet uitweiden over zijn rol als docent zonder daarbij de situatie in de lockdown aan te halen. Hij weet dat iedereen in deze coronaperiode zijn best deed om er wat van te maken, maar de schraalheid van een omgeving zonder fysiek contact heeft volgens hem diepe sporen nagelaten. Hij is zich bewust geworden van de behoefte aan en het belang van menselijk contact en de fysieke elementen in het lesgeven.  Dat is wat hem in beweging zet. De belangrijkste les is volgens hem om het nooit meer op deze manier te doen. Hij ziet nu lichtingen die op sociaal vlak minder ontwikkeld zijn dan eerdere lichtingen, omdat er te weinig aandacht was voor de situaties van jonge mensen.

Ook schrok Faber van het wetenschappelijke klimaat ten tijde van de lockdown. Dat sommige zaken niet kritisch bevraagd mochten worden, dat er een taboesfeer heerste, waarin iets goed of slecht was, zonder een midden waar je elkaar kon ontmoeten. Dat maakte iets bij hem los. Want het klimaat waarin wetenschap kan gedijen stond naar zijn idee onder druk. Scepsis kan vragen genereren die het waard zijn om te onderzoeken, opdat de wetenschap verder groeit. Dat leek plots een no-goarea.

Dat Faber zich al tien jaar docent mag noemen, had hij nooit verwacht. Dat hanteert hij ook als les naar zijn studenten. Niet alles is te vatten in een carrièreplanning van vijf of tien jaar. Een avontuurlijke route kan ook tot succes leiden. Bij toeval kwam hij in aanraking met een groep leuke mensen die begonnen met de opleiding Creative Technology. Het pioniersgehalte sprak hem aan, het gevoel dat hij altijd iets miste, was ineens opgelost.

Toerental

In de laatste jaren profiteerde Faber van zijn toenemende ervaring. Het deed goede dingen met hem, zorgde voor rust en voor meer improvisatie in zijn lessen. Hij kan uit een rijkere voedingsbodem putten. Dat ziet hij als een soort humuslaag, waarin al zijn ervaringen de neerslag vormen. Tegelijkertijd ziet hij de wereld steeds complexer worden, als een soort motor waarin het toerental steeds hoger draait. Volgens Faber lijkt het soms alsof de moderne technologie alles makkelijker maakt voor studenten, terwijl het hoofd door gebruik van die technologie volgens hem alleen maar voller wordt. Het is dan ook gerechtvaardigd om de vraag te stellen of je als student steeds meer controle hebt door alle technologieën, of dat de technologieën juist de controle over jou overnemen.

Passie. Dat is het bondige, maar resolute antwoord als hem wordt gevraagd naar wat een docent goed maakt. Een student ziet namelijk binnen een seconde of een docent verbonden is met wat hij of zij doet. Ook waardeert Faber het als een docent maatschappelijke thema’s in zijn vak integreert. Het is ook goed als een docent leert van rolmodellen. Hoewel totaal verschillend, noemt hij zelf twee rolmodellen.

Een leraar op zijn lagere school. Een boom van een man, waar de jongens in de klas op vrijdagmiddag tegelijkertijd mee mochten stoeien. Een duel dat de jongens altijd verloren, maar Faber omschrijft dat als interactie die op dat moment het sparren tussen leraar en leerling geweldig uitbeeldde. Zijn tweede rolmodel is hoogleraar Miko Elwenspoek, die vorig jaar op 72-jarige leeftijd overleed. Volgens Faber een enorme inspiratiebron omdat hij studenten kon betrekken in zijn verhaal en zich als geen ander deelgenoot kon maken van een groep studenten.

Dat is iets dat Faber ook dagelijks probeert te bewerkstelligen. Bijvoorbeeld door de grenzen van de natuurkunde op te zoeken met een filosofische inslag. Want volgens hem zit alles soms zo toevallig in elkaar, dat als je op een punt komt waar de natuurkunde het niet meer weet, de verwondering het overneemt. Op dát punt kunnen docenten hun studenten leren dat kennis zoveel meer is dan een brok aan informatie.

Als het aan Faber ligt, zijn twee zaken van belang in de veranderende rol van de docent. Een docent kan nog veel meer een rolmodel worden als hij kijkt naar de manier waarop studenten leven. Persoonlijke ontwikkeling en professionele ontwikkeling zijn volgens hem in aparte hokjes geplaatst, terwijl een vervlechting daarvan beter zou zijn op een kennisuniversiteit. En als liefhebber van vechtsporten als martial arts en Tai Chi, ziet hij de principes van laatstgenoemde graag terug in het onderwijs. Die kunnen een stabiele basis geven en helpen bij het reguleren van stress. Want volgens Faber zit stress niet alleen in je geest, maar ook in je lichaam. Dat reguleren is iets waar hij al zijn hele leven profijt van heeft en wat hij graag overdraagt in de lessen aan studenten.