Ja-stem helpt hoger onderwijs in Oekraïne een handje

| HOP, Bas Belleman

Wat ga je stemmen volgende week? Ook hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek spelen een rol in het associatieverdrag met de Oekraïne.

Photo by: Freeimages.com

Volgende week woensdag, 6 april, gaat Nederland naar de stembus om zich in een referendum uit te spreken over samenwerking tussen de Europese Unie en de Oekraïne. Het verdrag kan een steuntje in de rug betekenen voor het onderwijs en onderzoek in Oekraïne.

‘De partijen intensiveren hun samenwerking op het gebied van hoger onderwijs’, staat erin. Ze beogen hervorming en modernisering van de systemen voor hoger onderwijs, meer samenwerking tussen onderwijsinstellingen en meer mobiliteit van studenten en academici.

'Niets vreemds'

Dat sluit aan bij de Europese tendens, zegt Hans Vossensteyn, hoofd van UT-onderzoeksinstituut CHEPS en deskundige op het gebied van internationalisering in het hoger onderwijs. ‘Er is niets vreemds aan. Het verdrag maakt de uitwisseling van studenten en onderzoekers misschien makkelijker en dat is alleen maar goed.’

Waarschijnlijk kan Oekraïne zich dankzij het verdrag aansluiten bij het Erasmusprogramma, zodat uitwisselingsstudenten makkelijker over en weer naar elkaars universiteiten en hogescholen kunnen. Voorlopig zullen studenten uit de Oekraïne dan vaker hierheen komen dan andersom, zeker zolang er in het land een oorlog woedt.

Bolognaproces

Overigens doet Oekraïne al mee aan het Bolognaproces, waarin Europese landen hun onderwijs op elkaar afstemmen in bachelor- en masteropleidingen en vergelijkbare studiepuntsystemen. Dat geldt ook voor Rusland, waarmee Oekraïne overhoop ligt. In die zin is er niets nieuws onder de zon.

Het verdrag is belangrijker voor het wetenschappelijk onderzoek in Oekraïne. Het land mag zich straks aansluiten bij de Europese wetenschapsprogramma’s en meedoen in de strijd om onderzoeksgeld.

Samenwerking

Of dat het land veel oplevert, is de vraag. Landen als Nederland en Groot-Brittannië hebben een grote voorsprong in het wetenschapsprogramma en halen naar verhouding meer geld binnen dan Oost-Europese landen. Maar deelname kan toch een stimulans zijn.

‘Wij hebben net een artikel met iemand uit Oekraïne gepubliceerd’, zegt Vossensteyn. ‘Maar het is momenteel lastig om financiering voor onderzoekssamenwerking te krijgen. Dat wordt makkelijker als het land toegang krijgt tot Europese subsidie- en beurzenprogramma’s. Het is voor elke samenleving goed om de kennisinfrastructuur op orde te hebben. Als de EU daarbij kan helpen, lijkt me dat positief.’