Dit blijkt uit het afstudeeronderzoek dat UT-studente Susan van Soest uitvoerde. Van Soest ondervroeg studenten en docenten van drie UT-masteropleidingen die speciaal gericht zijn op buitenlandse studenten. Doel was om meer zicht te krijgen op de knelpunten die studenten in deze opleidingen ervaren en op mogelijke oplossingen daarvoor.
'Op het eerste gezicht lijkt het erop dat er weinig knelpunten zijn als je naar de uitslag van de enquete kijkt,' geeft Van Soest toe. 'Maar als je verder kijkt, ontstaat er toch een ander beeld.' Voorbeeld: bij de drie opleidingen geeft tussen de 25 en 50 procent van de studenten aan dat hun academische vaardigheden niet helemaal op peil zijn. Van Soest: 'Daarbij moet je rekening houden met het feit dat een aantal mensen sociaal wenselijke antwoorden geeft en dat het werkelijke percentage dus waarschijnlijk hoger ligt. Voeg daarbij de conclusies van de docenten die ik geïnterviewd heb, en je kunt toch wel spreken van een probleem.'
Bij de onderzochte opleidingen geldt dat de buitenlandse studenten over het algemeen 'niet voldoen aan hetgeen in het Nederlandse hoger onderwijs wordt gezien als een goede academische houding,' luidt Van Soests conclusie. Onder academische vaardigheden wordt hier onder meer verstaan het kritisch beschouwen en toepassen van theorie, een paper schrijven, presentaties geven, informatie zoeken en het kunnen verwoorden van een eigen mening in woord en geschrift.
De problemen met laatstgenoemde vaardigheid zijn niet alleen toe te schrijven aan het gebrek aan beheersing van het Engels; de taalvaardigheid van de buitenlandse studenten is een op zichzelf staand probleem, zo geven zowel docenten als studenten aan in het onderzoek. Van Soest adviseert dan ook om de norm voor de taalvaardigheidstoets die alle aankomende masterstudenten moeten afleggen, te verhogen. Verder bepleit Van Soest in haar onderzoek een duidelijker voorlichting aan buitenlandse aspirant-studenten over datgene wat 'wetenschappelijk onderwijs' volgens de Nederlandse maatstaven inhoudt.
Van Soest: 'Mijn indruk is dat de docenten nu heel veel tijd investeren in het begeleiden van hun studenten, eigenlijk meer tijd dan ervoor beschikbaar is. De zwakkere studenten varen daar wel bij, maar daardoor is er minder tijd om de betere studenten nog eens extra te stimuleren en uit te dagen. Ik denk dat je als opleiding een duidelijke keus moet maken. Je kunt een lager beginniveau accepteren en de studenten gedurende de opleiding met veel begeleiding bijspijkeren (en daarvoor een hoger collegegeld vragen), of je eist een hoger beginniveau en investeert minder in begeleiding. Maar niet iets er tussenin.'