Opinie: ‘Weinig redenen voor hoog salaris hoogleraar’
Is het een goed idee als universiteiten hun beste en meest waardevolle hoogleraren waarderen met topsalarissen voorbij de balkenendenorm? Wordt zo de wetenschap gestimuleerd en de kwaliteit ervan verhoogd? In dit stukje zal ik enkele argumenten bekijken voor zulke topsalarissen. Vervolgens zal ik mijn eigen conclusie trekken.
Een eerste argument voor zulke topsalarissen is dat ze mensen stimuleren om wetenschapper te worden - of te blijven. Topsalarissen stimuleren op die manier het wetenschappelijke bedrijf. Maar dat dit in de praktijk zo werkt is zeer onwaarschijnlijk. Mensen kiezen zelden voor de wetenschap omwille van het hoge salaris. Zij kiezen ervoor omdat het onderzoek hen boeit, het onderwijs hen inspireert, en de academische vrijheid hen lokt. Mensen die een hoog salaris belangrijk vinden haken al vroeg af in de wetenschap, namelijk op het moment dat ze de stap overwegen te maken van student naar promovendus. Als ze dan horen dat een beginnend promovendus 2042 euro bruto per maand verdient is de stap naar het bedrijfsleven voor hen snel gemaakt. Een mogelijk topsalaris als hoogleraar zal hen niet kunnen tegenhouden. Daarnaast is het ook niet het geval dat (top)hoogleraren de universiteit verlaten omdat ze hun salaris te karig vinden. Voor hen is de liefde voor de wetenschap meestal te groot om voor enkele tienduizenden euro’s extra naar een niet-wetenschappelijke carrière over te stappen.
Een tweede argument voor topsalarissen is dat het betere competitie tussen universiteiten mogelijk maakt. Universiteiten kunnen zo tophoogleraren van elkaar wegkopen en zich beter positioneren als instelling. Zulke competitie zou uiteindelijk leiden tot beter hoger onderwijs en onderzoek. Ook dit is echter een onwaarschijnlijk verhaal. Ten eerste omdat de betere positionering bij de wegkopende universiteit gepaard gaat met een slechtere positionering van de universiteit die een topwetenschapper verliest. Daarnaast zullen niet veel hoogleraren daadwerkelijk overstappen naar een andere universiteit louter omdat het salaris daar hoger is. De hoogleraarsalarissen in Twente zijn aanmerkelijk hoger dan die in Oxford. Toch heeft dit niet tot gevolg dat de Oxfordse hoogleraren in de rij staan om naar Twente over te stappen.
Voor wetenschappers is het meestal veel belangrijker of een universiteit hun werkzaamheden goed ondersteunt. Zij zoeken naar een universiteit die hen voorziet van de meeste onderzoeksmiddelen, de grootste academische vrijheid, de interessantste aanpalende onderzoeksgroepen, de slimste studenten en de minste managementtaken en bureaucratie. Dat is wat hen aanspreekt, veel meer dan een hoog salaris.
Een derde en laatste argument voor topsalarissen is dat ze een middel kunnen vormen om toptalenten te belonen voor hun grote bijdrage aan de wetenschap en samenleving. Maar is een hoog salaris daarvoor het beste middel? Een prestigieuze wetenschappelijke prijs, met daaraan gekoppeld een geldbedrag voor onderzoek, lijkt hiervoor beter geschikt. En zo ziet de wetenschap dat zelf ook. Het is illustratief dat zowel de Nobelprijs als de Spinozapremie, de hoogste onderscheidingen die een Nederlandse hoogleraar kan behalen, vergezeld gaan van grote geldbedragen voor onderzoek, maar geen cent beschikbaar stellen voor privégebruik.
Alles overziend blijven er weinig redenen over om (top)hoogleraren te belonen met hogere salarissen. Het geld dat hiervoor gebruikt zou kunnen worden kan beter besteed worden om toptalenten te stimuleren met extra onderzoeksmiddelen en om wetenschappers die nog geen toptalent zijn te helpen om zich als zodanig te ontplooien.
Philip Brey, ethicus en hoogleraar techniekfilosofie aan de faculteit Gedragswetenschappen