Het ongeluk dat me niet overkwam

| Wiendelt Steenbergen

Mijn krant schreef over ‘de val van dirigent Bernard Haitink’. ‘Wat!? #HeToo?’,  flitste het meteen door mijn hoofd. Maar het bleek dat hij gewoon was gevallen, direct na een optreden. Op zijn leeftijd is dat een drama, natuurlijk.

Dit voorval toont dat zich een bepaald patroon in je brein vastzet. Ach het brein, daar zullen we hem hebben. Het brein wordt tegenwoordig overal bijgehaald, en dat doe ik nu ook. Ik weet weinig van het brein in het algemeen, maar zelf heb ik er ook één, dus daar kan ik wel iets over schrijven. Wat introspectie levert al snel drie niveaus op waarop vaste patronen in mijn brein zijn gekerfd, soms door herhaling, soms door een eenmalige gebeurtenis.

Het voorbeeld hierboven kan vrij onschuldig zijn. Blijkbaar heb ik bij het zien van de begrippen ‘val’, ‘leider’ en ‘artiest’ mijn conclusies al getrokken. De relatieve onschuld zit hem hierin dat aanvullende informatie ervoor kan zorgen dat ik mijn fout inzie, en zelfs mijn vooroordeel (want dat is het) enigszins kan temmen.

Een kerf in mijn brein met fysieke uitwerking is, dat als ik een stilstaande roltrap betreed ik toch mijn pas versnel, als door een onzichtbare hand geduwd. Als de roltrap beweegt is zo’n automatisme natuurlijk nuttig. Maar als het ding stilstaat, dan moet ik moeite doen om dat automatisme uit te schakelen, ondanks mijn eigen waarneming.

Het meest verontrustend vind ik het volgende. Ik fiets vaak over de voormalige vliegbasis Twenthe. Op twee taxibanen staan houten paaltjes om auto’s tegen te houden, en ik crosste daar op mijn racefiets altijd in volle vaart tussendoor. Maar op een dag moest ik vol in de remmen: tussen één rij paaltjes was, vrij slecht zichtbaar, prikkeldraad gespannen. Ik probeerde me voor te stellen wat er zou zijn gebeurd als ik was doorgereden en het prikkeldraad zich ergens tussen dijbenen en navel naar binnen had gewerkt: één grote ravage daar beneden. De andere paaltjes zijn niet voorzien van prikkeldraad, maar het lukt me niet meer daar in volle vaart tussendoor rijden en bij het passeren krijg ik een zeker onderbuikgevoel.  Blijkbaar is er een spoor in mijn bestaan getrokken door het ongeluk dat me niet overkwam. Hoe diep moeten die sporen dan zijn bij mensen die wél iets hebben meegemaakt? Om dit stuk vrolijker te eindigen: zou het mogelijk zijn om duurzaam een goed gevoel op te roepen door te denken aan een voorstelbaar geluk dat je niet overkwam?